Doorgaan naar hoofdinhoud subline-curl

Van de Mercy Ships via Braziliaanse sloppenwijken naar de Groningse opvangboot

Ze had het al in haar hoofd toen ze 10 was: later als ze groot was, zou ze mensen in arme landen gaan helpen. Astrid Swadberg, verpleegkundige bij INLIA, heeft het ideaal uit haar jeugd ruimschoots waargemaakt. Ze werkte op de Mercy Ships voor de kusten van Togo, Senegal, Madagaskar en Zuid-Afrika en in de sloppenwijken van Brazilië.

 

En nu werkt ze weer ‘aan boord’; INLIA heeft in Groningen immers ook twee schepen voor de opvang van dakloze asielzoekers. “Het is zo leuk om hier op een schip rond te lopen”, zegt Astrid in de lounge van de Amanpuri. Ze is dit voorjaar aangetrokken om het medische team te versterken gedurende de corona-periode. En dat terwijl ze eigenlijk een poosje was gestopt.

Haar loopbaan begint in het Martini Ziekenhuis in Groningen, op de orthopedie. Via haar zusje komt ze in aanraking met Mercy Ships, een christelijke organisatie met ziekenhuisschepen voor de kust van Afrika. Ze hebben een verpleegkundige nodig die Frans spreekt. Astrid bedenkt zich niet en monstert in ’93 aan.

En in ’95 weer, dit keer als hoofdverpleegkundige. “We hadden een kaakchirurg en een oogchirurg. Dus we deden oogoperaties, hazenlipcorrecties, verwijderen van gezichtstumoren.” Het is dankbaar werk. Het verandert het leven van de patiënten. Dit keer duurt de trip 1,5 jaar.

Eenmaal terug denkt ze ‘een jaartje in Nederland werken en dan weer weg’. Maar de tijd vliegt en voor ze het weet zit ze alweer 6 jaar op de longafdeling van het Martini. Dan neemt ze toch contact op met de moederorganisatie van Mercy Ships en vraagt naar werk op een landbasis.

“Dat trok me. Het bezwaar van een schip is toch dat het steeds weer verder vaart. Het leek me fijn om ergens langer te blijven.” De organisatie werkt ook in de sloppenwijken van Zuid-Amerika. Handig, want Astrid spreekt goed Spaans. Wordt ze prompt in Brazilië geplaatst, waar ze Portugees spreken. ”Ach, nu is mijn Portugees beter dan mijn Spaans”, lacht Astrid.

Vier jaar werkt ze in de sloppenwijken van miljoenenstad Belo Horizonte. Met straatjongeren, doven, AIDS patiënten. De verpleegpost bij het community center waarin Astrid haar werk doet is het voormalige hondenhok. Waar eerder de herdershonden huisden die het center beschermen, verbindt ze wonden, verzorgt ze huidaandoeningen, meet ze bloeddruk, doet ze triage.

“Dat is eigenlijk wat ik hier ook doe: consulten, directe zorg én kijken of we het probleem zelf kunnen tackelen of dat de patiënt naar een arts moet.” Huisbezoeken waren daar wel anders dan hier; koffie uit een jampotje, op een sinaasappelkistje. Ze glimlacht bij de herinnering en blikt uit het raam. “Hé, die jongen had een zere knie. Hij fietst weer, dat is mooi.”

In Belo Horizonte ontmoet ze de Amerikaan Dave, eveneens vrijwilliger. Ze trouwen en wonen 5 jaar in Amerika. Steeds met het idee dat ze nog eens zullen verkassen naar een ander land. Dat andere land wordt tot haar eigen verrassing Nederland. Haar man en zij hebben beiden het gevoel dat God hen hierheen leidt.

Dat gevoel komt het eerst bij Dave op. Maar hij weet dat Astrid daar eigenlijk geen zin in heeft. “Praat U maar met haar”, zegt hij tegen God. En Astrid denkt binnen twee weken na over hoe het moet met haar ouder wordende vader hier. Toch komen ze nog niet onmiddellijk naar Nederland. Maar als Astrids vader ziek wordt, gaan ze alsnog rap. Astrid kan er in zijn laatste weken voor haar vader zijn.

Ze werkt in de thuiszorg en gaat in 2017 als vrijwilliger aan de slag in de TussenVoorziening, een INLIA-project in Eelde. “Ik ben nou eenmaal dol op andere culturen”, grinnikt ze. Het werk in de thuiszorg wordt haar ondertussen te zwaar, ze stopt. En dan - uit het niets - wordt het leven in augustus 2018 ineens totaal anders. Dave krijgt kanker. Hij overlijdt in januari 2019.

Ze neemt een slokje water en slikt de emotie weg. Een gast begroet haar. Iemand die ze nog kent van de TuVo. Ze raakte er, toen nog als vrijwilliger, bevriend met gasten. “Ik had alle tijd voor de mensen daar, ik had immers geen werk en geen man meer. Dus ik kon blijven hangen, gezellig koffie drinken.”

Mensen waarderen het. Het betekent voor hen veel dat ze komt ‘just to be with us’. Ze raakt eveneens bevriend met gasten uit de opvang in Groningen die ook op de TuVo helpen. “Mensen die helpen met tolken, bijvoorbeeld. Vind ik trouwens heel mooi dat INLIA zorgt dat gasten uit de opvang op die manier wat kunnen doen.”

Maar degene die eerst collega-vrijwilliger was, is nu potentieel patiënt. “Die zie ik dus niet als verpleegkundige. Die gaan naar een van de collega’s uit het medische team.” En voorlopig komt ze ook niet als verpleegkundige op de TuVo, totdat alle gasten met wie ze daar omging zijn doorgestroomd naar eigen woningen. “Alles wordt hier heel zuiver en professioneel gehouden”, zegt ze, “Heel goed.”

Nee, ze zit hier prima op haar plek. “Je suis très content”, gooit ze er nog maar een Franse zin tegenaan. Ze stapt voorlopig niet van de boot.

 

Andere verhalen

Uit dit project