Doorgaan naar hoofdinhoud subline-curl

“Van elke corona-voedselpakket ging 10.000 roepia naar zijn eigen persoonlijke rekening”

Corruptie: in Indonesië zijn ze de naïviteit voorbij

Wat niet weet wat niet deert, zo luidt de ietwat ouderwetse Nederlandse uitdrukking. Maar als het om corruptie gaat zal je in Indonesië in ieder geval geen onwetendheid tegenkomen.

Helaas zijn er veel voorbeel­den te geven van corruptie en integriteitsschandalen uit de Indonesische politiek en het zakenleven. Het publieke bewustzijn is dan ook doordrongen van een sterk besef van onrecht en een ge­zonde mate van argwaan. Door som­mige Indonesiërs wordt met jaloezie naar het Westen gekeken. Want daar is integer bestuur een zekerheid, toch?

Er zijn diverse ideeën over het ontstaan van corruptie in Indonesie. Volgens sommigen was er al corrup­tie in de Javaanse koninkrijken van de achtste en negende eeuw. Land van arme boeren werd toen onrechtmatig toegeëigend en ambtenaren staken een deel van de belastingen in hun eigen zakken. Anderen beweren dat corruptie voortkomt uit de Japanse overheer­sing van 1942-1945. De Japanse mili­tairen en ambtenaren zouden de bevolking uitknijpen en die corrupte praktijken zouden zijn overgenomen door Indonesische ambtenaren.

 

Stelen van de armen

Je hoeft echter niet ver terug in de geschiedenis voor een voorbeeld van corruptie. Zo hebben de afgelopen jaren de kranten volgestaan over Juliari Batubara, de voormalig minister van Sociale Zaken. Hij was tijdens de coronapandemie verantwoorde­ lijk voor de verspreiding voedselpakketten onder de allerarmsten in Indonesie. Met de leveranciers van de voed­selpakketten had hij echter een afspraak gemaakt. Van elk pakket van 300.000 Indonesische roepia (ongeveer 18 euro) ging 10.000 roepia (0,60 eurocent) naar zijn eigen per­soonlijke rekening. Volgens de Indonesische anticor­ruptiecommissie, Komisi Pemberan­tasan Korupsi (KPK) heeft hij op deze manier zeventien miljard roepia in eigen zak gestoken. Omgerekend ruim een miljoen euro. Toen dit in december 2020 aan het licht kwam is Juliari vanzelfspre­kend direct gearresteerd. Een maand geleden heeft de rechter het vonnis uitgesproken. Juliari is schuldig bevonden aan corruptie en kreeg een gevangenisstraf van 12 jaar plus een boete van 14,5 miljard roepia. Volgens de Indonesische wet had hij zelfs de doodstraf kunnen krijgen, niet mild voor een corrup­tiezaak.

 

Onwetend of onverschillig?

Naast de twee bovengenoemde ideeën over de ontstaansgeschiedenis­ van corruptie is er ook het per­spectief dat het Nederlands kolonia­lisme hieraan een steentje heeft bijgedragen. Een veelgehoorde grap in Indonesie is dat VOC eigenlijk een afkorting is van Vergaan Onder Corruptie. Je hoeft slechts de parel van de Nederlands literatuur, Max Havelaar, te lezen om te zien hoe wijdverbreid corruptie was in Indonesie onder Nederlands bewind. De VOC had het misschien niet uitgevonden of geïntroduceerd, maar de ambtenaren van Nederlands-Indië deden nagenoeg niks om het tegen te gaan.

Toch is het beeld onder een groot deel van de Indonesische bevolking dat het Westen niet of nauwelijks corruptie kent. Onlangs sprak ik met een vriendin over de corrupte Indonesische minister van Sociale Zaken toen ze zei: “Dat heb je in Nederland niet echt, toch?” Ik viel even stil, want er was geen eenvoudig ja of nee. Ik was op zoek naar woorden. Wat is het Indonesi­sche woord voor toeslagenaffaire? Hoe kan ik aardbevingsschade door gaswinning uitleggen in het Indone­sisch, de kwestie 'functie elders', een minister die lobbyist wordt, tot vijf miljard euro aan uitgaven in de coronapandemie waar de politiek geen of nauwelijks verantwoording over kan geven? En dit zijn slechts enkele integri­teitskwesties van de afgelopen jaren. Niet voor niets heeft het Europese anticorruptieorgaan GRECO diverse aanbevelingen aan Den Haag gedaan, helaas met weinig gevolg. Misschien is het probleem van Nederland niet langer onwetendheid of naïviteit, want de meeste mensen weten ondertussen wel dat Nederlandse bestuurders geen onberispelijke moraal hebben. Misschien is het probleem eerder onverschillig­heid, onvermogen tot woede over het onrecht dat de ander wordt aangedaan.